Kommie thuis van vakantie, blijkt good old Johnny Hoes op 94-jarige leeftijd overleden. Ze vertellen je ook niks op de Franse tv. Ja, dat Amy Winehouse de pijp uit is, de hele avond lang, maar Johnny Hoes? Celui, nous ne connaissons pas, monsieur.

In juli 1961 was ik als achtjarig jongetje op vakantie in de Achterhoek. Om precies te zijn in het gehucht (tegenwoordig ‘buurtschap’) Miste, halverwege Winterswijk en Aalten, al kan dat ook net zo makkelijk Raalte zijn geweest. Voor de gezelligheid had ik ook mijn ouders en broers meegenomen. In je eentje vakantie vieren is ook zo wat.
We hadden een appartement gehuurd langs de weg tussen Winterswijk en, even vlug gecheckt, Aalten. Aan de overkant van de weg lag een café/restaurant annex feestzalencomplex, met pal daarachter –het kon niet mooier- een heus voetbalveld, behorend bij de lokale voetbalclub. Daarvan maakte ik, samen met een meisje van mijn leeftijd uit een naastgelegen appartement (ook met haar ouders als ik mij goed herinner), uiteraard regelmatig gebruik om mijn toen ook al niet geringe technische voetbalkwaliteiten nog wat bij te vijlen.

Gedurende een aantal dagen was er een soort dorpsfeest aan de gang in en rondom de genoemde horecagelegenheid. Ik herinner mij dat ik daar veel verkeerde, ondertussen heftig zuigend aan een cigaret, zoals dat toen heette. Roken was in die tijd nog gezond, bovendien betrof het cigaretten van chocolade die toen in de mode waren.
Hoogtepunt van de feestweek was het schieten met hagel op een houten beestje dat bovenop een lange mast was bevestigd. Wie het laatste stuk van het arme beest naar beneden haalde was de winnaar. Een lokale traditie die natuurlijk een speciale naam had, die ik helaas vergeten ben.

In mijn herinnering klonk er gedurende die feestdagen vrijwel continu dezelfde hit uit de luidsprekers, gezongen door een man met een opvallend iel hoog stemmetje : ‘Och was ik mááár bij moe-oe-oeder thuis ge-blé-hé-ven, och was ik mááár met jou niet meegegaan…’, schalde het keer op keer door de wijde Achterhoek ‘Ik kan niet slápen en niet éten want ik kán je niet vergéten, met je rode mond, je blauwe óóógen, je haar zo blóóónd…’ Het lied maakte voor eeuwig een onuitwisbare indruk op mij.

Drie jaar later haakte Johnny Hoes in op het ineens succesvolle team van Neerlands eerste fullprofvoetbalclub DWS, met het al even aanstekelijke ‘En van je hoempa hoempa hoempa Déé Wee Éééés, Déé Wee Éééés, Déé Wee Éééés. Ik meen op tweede pinksterdag van dat jaar was ik met mijn vader –als Feyenoordfans- bij de kampioenschapswedstrijd tegen GVAV. Voor 43.000 toeschouwers wonnen de Amsterdammers met 3-1, na een 0-1 achterstand.

In de jaren negentig was ik met twee andere voetbalmuziekverzamelaars voor een interview op bezoek in het imperium van de Grote Platenbaas. Dat imperium stond in Weert. Een laag, rechthoekig gebouw met een plat dak, waarop in grote letters triomfantelijk ’s mans naam stond vermeld: JOHNNY HOES. Triomfantelijk, omdat hij bij Philips, waar hij werkte, noch bij de radio au serieux werd genomen met zijn ‘bedenkelijke arbeidersmuziek’ en daarna trots zijn eigen bedrijf beheerde.

Binnen zat de kleine Grote Platenbaas tevreden achter zijn bureau, in zijn veel te groot lijkende kantoor. De muren hingen van onder tot boven en van links naar rechts vol met gouden en platina platen. Verdiend als zanger, maar ook als producer van artiesten als de Zangeres Zonder Naam, de onvergetelijke Heikrekels (Waaróm, waaróm, waaróm, heb jij mij laten sta-ha-áan), Doe Maar en talloze anderen. Indrukwekkend.
Het was een buitengewoon vriendelijke en aardige man, die ons uitgebreid te woord stond. We mochten zo lang als wij wilden in zijn archief kijken: een aantal multo-mappen op klein formaat, waarin keurig met de hand geschreven stond genoteerd welke platen er allemaal op zijn Telstar- en daarvan afgeleide Ojee- (voor ondeugende plaatjes) en Starlet-label (voor in licentie opgenomen platen) waren uitgekomen. De nummering begon steeds bij 1001, dat stond een stuk beter dan 1.

In een studioruimte zat een nog veel oudere man op een stoel voor zich uit te kijken. Vader Hoes, 98 jaar oud. De man vanwege wie Johnny, die eind jaren dertig als niet onverdienstelijke rechtsbuiten op hoog niveau voetbalde bij Coal, nooit naar Sparta of Feyenoord is overgestapt. “Mijn vader zou mij hebben doodgeslagen”, zei de platenbaas zonder enige aarzeling.
We waren gekomen voor informatie over allerhande voetballiedjes die Hoes vooral in de jaren zestig had geschreven, geproduceerd en/of ingezongen (Geen woorden maar daden, Op een slof een een oude voetbalschoen, Vooruit nu roodwitten, vooruit PSV).

Wat betreft de gewenste informatie bleek de reis vrij vergeefs. ‘Mijn dochter zei laatst tegen mij: pa, je hebt vierduizend liedjes geschreven’, verontschuldigde Johnny zich. ‘Ik kan mij echt niet mee herinneren welke liedjes ik wanneer geschreven heb’. Niettemin vertrokken wij uit Weert met een voldaan gevoel. We waren op bezoek geweest bij een man die hoe dan ook een enorme bijdrage had geleverd aan Neerlands muzikale erfgoed, en die een warme indruk op ons had gemaakt.
Toen we hem confronteerden met het feit dat hij als rasechte Rotterdammer en als initiator van het op plaat zetten van Hand in hand kameraden, ook een lied voor Ajax had gemaakt en ingezongen, was zijn reactie: ‘Echt waar? Tjee, ik voel mij net een NSB’er’.

2 Reacties op

  1. bart vdP zegt:

    Ina van Faassen leeft ook niet meer.

  2. Jimmy zegt:

    Fijn, dat hoor ik dus ook pas nu.
    Overigens treft de Fransen hier minder blaam omdat Ina bij mijn weten nooit iets gedaan heeft waarvan men in Frankrijk op de hoogte zou moeten zijn.
    Johnny Hoes daarentegen was ‘producer’ van de Vogeltjesdans die ook in Frankrijk haar verwoestende werk heeft gedaan in de hitparades en op de radio, onder de titel La danse des canards (eendendans).
    Er zijn er ook daar honderdduizenden zo niet miljoenen van verkocht.